Over De Dood
Wie de dood kent, leeft anders
Contact na de dood

Hieronder tref je het persoonlijke verhaal van Marianne Lensink aan. Ze is schrijfster van de boeken Gestuurd toeval (1999) en Toevallige signalen (2006). Sinds 1996 werkt ze bij de Stichting Merkawah als regiocoördinator van Oost Nederland en contactpersoon voor mensen met peri– en postmortale contact/ervaringen (PMC). Daarnaast is ze redactielid van het mooie kwartaaltijdschrift Terugkeer.

Drie maal is scheepsrecht

In augustus van 1994 is mijn man Hans veertien dagen na een hersenoperatie onverwacht overleden aan een hartstilstand. Twee jaar daarvoor was er een goedaardige tumor in zijn hoofd ontdekt, die op een niet makkelijk te opereren plek zat.

In die twee jaar zijn we nog veel dichter bij elkaar gekomen dan we al waren en hebben over veel dingen gepraat. Zo hebben we de afspraak gemaakt, dat als één van ons dood zou gaan en er een vorm van voortbestaan zou zijn, we elkaar dan zouden ontmoeten op een klein eilandje onder het Griekse eiland Samos. Dat is inderdaad later, in mei 1995, ook gebeurd.

Mijn man was journalist bij een groot regionaal dagblad en ik heb na mijn HBS-b een opleiding gevolgd voor röntgenlaborante in het Academisch Ziekenhuis in Leiden. Na het behalen van dat diploma heb ik nog jaren in dat beroep gewerkt. Ik vertel dit om te laten weten dat wij allebei vrij nuchter waren en beslist niet zweverig. Wel hadden we een zeer brede interesse en lazen we veel.

Omdat ik de weken na zijn dood nauwelijks kon slapen, vroeg ik mijn jongste dochter om een week met me mee te gaan naar het door Hans en mij zo geliefde Samos. De dag dat we daar aankwamen en ik in de warme zon, via de trap het vliegtuig verliet, viel onmiddellijk alle verdriet van me af. Daar op dat mooie eiland kon ik eindelijk wel ’s nachts slapen en sliep zelfs iedere nacht het klokje rond. Dat laatste is belangrijk om te weten, dat wat er gebeurde op de een na laatste dag daar, niet kwam door slaaptekort.

Die ochtend word ik om ongeveer 9 uur wakker, het is heel licht en zonnig in de kamer, want er was slechts een voile vitrage voor het raam. Ik hoor een ademhaling en kijk naast me en daar ligt Hans met zijn rug naar me toe, in zijn blauwe badstof ochtendjas, naast me te slapen op een plek waar helemaal geen bed is. Ik ben heel verbaasd en realiseer me heel goed dat zoiets niet kan en wil hem daarom aanraken. Maar dan gaat mijn hand door hem heen en hij verdwijnt. Ik blijf verbaasd liggen en vraag me af hoe zoiets kan en maak dan snel mijn dochter wakker om het haar te vertellen.

Als ik weer thuis ben ga ik lezen, op zoek naar informatie over eventuele verschijningen. Helaas is er niet veel over bekend, maar wel lees ik een aantal boeken over bijna-doodervaringen, zoals ‘Leven na dit Leven’ geschreven door de arts /psychiater Moody en ‘Nader tot het Licht’ van de kinderarts Melvin Morse over bde bij kinderen. Achterin één van de boeken staat een adres van de Stichting Merkawah en daar stuur ik een brief naar toe in de hoop daar informatie te krijgen over de verschijning op Samos. Na een week of wat krijg ik een erg vriendelijke brief terug, waarin staat dat verschijningen nog veel vaker voorkomen dan een bijna-doodervaring, maar dat niemand daarover durft te praten uit angst uitgelachen te worden of meewarig te worden bekeken of zelfs voor gek te worden verklaard. Dat is voor mij een heel belangrijke zin want het bevestigt dat zo’n verschijning na het overlijden van een geliefde kennelijk vaker voorkomt dan de meeste mensen denken.

Op één van de laatste nachten in december van dat jaar lig ik in bed weer eens te wachten op de slaap, die maar niet komen wil. Ik heb een klein lampje aan en ineens ligt daar leunend met zijn hoofd op zijn elleboog mijn man op het voeteneinde van het bed naar me te kijken. Hij straalt alleen maar liefde en ‘houden van’ uit. Er wordt niets gezegd, we kijken alleen maar naar elkaar. Dan vervaagt hij. Dat zorgt ervoor dat ik weet dat onze liefde niet dood is en dat we altijd van elkaar zullen blijven houden.

De derde verschijning is een jaar later, in december de nacht na Sinterklaas en is de meest bijzondere van de drie.

‘Sinterklaas’ dat altijd een heel leuk feest met surprises en gedichten was in ons gezin zullen we net als vorig jaar niet vieren.

Die avond lees ik tot laat in een rustgevend boek met mooie muziek op de achtergrond en ik ga om 12 uur naar bed. Ook deze keer wil het in slaap komen niet lukken. Ik zie het één uur worden, twee uur, drie uur en dan kwart over drie. Plotseling staat Hans naast het bed en zegt tegen me: ‘Schuif eens een eindje op, dan kom ik naast je liggen’. Dat doe ik, want ik was de laatste maanden namelijk op zijn plek in bed gaan liggen in de hoop daar eerder in slaap te vallen. Hij kruipt naast me in bed en tot mijn grote verbazing kan ik hem voelen. Ik begin hem te kussen en te strelen en roep dan: ‘Hoe kan dat nou, ik kan je voelen?’ Hij haalt zijn schouders op en glimlacht. Hij ziet er jonger uit en is slanker dan de laatste jaren voor zijn dood. Ik streel zijn gezicht en bedenk plotseling dat ik gelezen heb dat geesten in de toekomst kunnen kijken en vraag hem dan : ‘Hoe lang moet ik nu nog alleen blijven?’ Dat vraag ik omdat hij voor zijn dood heeft gezegd dat ik niet alleen moest blijven als hij zou overlijden. Hij geeft geen antwoord en kijkt peinzend voor zich uit. Ik herhaal de vraag en voeg er aan toe: ‘Of weet je dat zelf ook niet?’Hij schudt als in gedachten langzaam zijn hoofd en dan is hij verdwenen.

Verbaasd blijf ik liggen, helemaal onder de indruk. Wat is dit? Was het een droom? Was het werkelijkheid, was het materialisatie van zijn geest. Ik blijf een tijdje liggen om mijn gedachten te ordenen. Dan knip ik het licht aan, het is bijna half vier. Ik pak een blocnote en een pen, die in mijn nachtkastje liggen en schrijf alles op. Want als het een droom was en ik straks ga slapen, bestaat de kans dat ik morgenochtend de droom vergeten ben.

Als ik ’s morgens wakker word, kan ik me alles nog haarscherp herinneren en dat blijft zo.

Ik kan nu, meer dan twaalf jaar later nog steeds de beelden als een film voor me oproepen. Dus het was vast geen droom, want dromen vervagen in de loop van de tijd. Trouwens ik heb in mijn hele leven ook nog nooit een droom gehad waarin werkelijkheid overgaat in droom.

(Geschreven door: Marianne Lensink. In de zomer van 2008 is dit verhaal geplaatst in het blad: Terugkeer van de Stichting Merkawah)

Perimortale ervaringen (bijzondere ervaringen rondom de dood) komen heel vaak voor. Je kunt de aanwezigheid van een overleden dierbare op verschillende manieren ervaren. Sommige mensen zien de overledene echt in de stoel zitten en kunnen met de overledene praten. Andere mensen zien lampen, elektrische apparaten of klokken aan of uit gaan. Weer anderen voelen de energie dicht bij zich. Ook de bijzondere aanwezigheid van dieren wordt genoemd als teken van de overledene.

Wil je zelf iets doen voor een overledene? In het boekje 'Aandacht voor een overledene' staat beschreven wat je kunt doen, zonder de ander vast te houden.